Logo van het Planbureau voor de Leefomgeving
Naar het hoofdmenuNaar de subnavigatieNaar de hoofdinhoud

Veelgestelde vragen

Energievoorraden en energiegebruik

Duurzame energie

Biobrandstoffen

Kernenergie

Relatie met klimaatverandering

Hoe lang kunnen we nog vooruit met de voorraden fossiele brandstoffen?

De bewezen en commercieel winbare steenkoolvoorraden zullen bij het huidige verbruikstempo voor circa 220 jaar kunnen voorzien in de huidige mondiale behoefte. Naar verwachting zullen de conventionele en niet-conventionele voorraden van olie en gas voldoende zijn om zeker nog 50 tot 100 jaar aan de vraag te kunnen voldoen. In welke mate de niet-conventionele olievoorraden zullen worden geëxploiteerd, zal voornamelijk van de prijzen op de wereldmarkt afhangen. De komende decennia zijn er naar verwachting nog voldoende goedkoop winbare olievoorraden beschikbaar. Meer informatie: Mondiale voorraden energie.

Heeft een hogere olieprijs een effect op het energiegebruik?

De energieprijzen waren aan het eind van de jaren zeventig en het begin van de jaren tachtig hoog als gevolg van internationale ontwikkelingen op de oliemarkt. In Nederland is de gasprijs voor kleinverbruikers gekoppeld aan de olieprijs. Deze prijzen stegen eind jaren negentig vooral voor de kleinverbruiker door de regulerende energiebelasting (REB). Deze belasting is in 1996 ingevoerd en is daarna geleidelijk verhoogd tot aan de hoogste waarde tot nu toe per 1 januari 2001. De eindverbruikers worden hiervoor gecompenseerd via de inkomstenbelasting en via enkele vormen van 'positieve prikkels'. In 2000 maakt de REB circa 35% uit van de energieprijs voor kleinverbruikers, terwijl 2% van de totale nationale belastingopbrengsten afkomstig zijn van de REB. Een analyse van het effect van de Regulerende energiebelasting op de CO2-emissie is te vinden in de Milieubalans 2002, paragraaf 4.2.2. (RIVM, Bilthoven, 2002) (Bron: Energieprijzen kleinverbruikers en wereldolieprijs.) Zie ook: Groene belastingen

Hoeveel energie wordt er in Nederland jaarlijks bespaard?

De besparing op het primaire energiegebruik bedroeg in de periode 1995-2006 gemiddeld 0,9% per jaar. Dat is ongeveer 0,1%-punt lager dan gerekend over de periode 1995-2005. De 95%-waarschijnlijkheidsmarge bedraagt 0,3%-punt. Het energiebeparingstempo lijkt hiermee gestaag verder te dalen tot onder de 1%. De Nederlandse doelstelling voor energiebesparing, namelijk een geleidelijke verhoging van het tempo tot 2% per jaar in 2020, is daarmee nog niet binnen bereik.

Wat is ‘duurzame’ energie?

Duurzame energie, ook wel hernieuwbare energie genoemd, is energie die wordt opgewekt met wind, waterkracht, zon, warmtepompen, warmte-koudeopslag en de inzet van biomassa. Bio-energie kan ook meegestookte biomassa zijn, dat wil zeggen het gebruik van biomassabrandstoffen in elektriciteitscentrales tegelijkertijd met het gebruik van fossiele brandstoffen zoals kolen. Voorbeelden van biomassabrandstoffen zijn houtrestproducten en diermeel. Deze duurzame energie komt beschikbaar in de vorm van elektriciteit en warmte. Het gebruik van duurzame energiebronnen vermijdt de inzet van primaire energiedragers, zoals olie, aardgas en steenkool. Bovendien wordt de uitstoot van broeikasgassen en van gassen die bijdragen aan de verzuring van het milieu, verminderd. Duurzame energie kan worden uitgedrukt in de energie-inhoud van de vermeden inzet van primaire energiedragers. Op deze wijze kunnen de verschillende energiebronnen met elkaar vergeleken worden. Zo kan dan de duurzame energie worden afgezet tegen het totale energieverbruik in Nederland. De berekening van de hoeveelheid geproduceerde duurzame energie is uitgevoerd volgens de methodiek van het Protocol Monitoring Duurzame Energie. Meer informatie: Productie van duurzame energie.

In welke mate voldoet Nederland aan de Europese doelstelling voor hernieuwbare energie?

Hernieuwbare energie, zoals energie opgewekt met behulp van wind, zon en biomassa, is naast energiebesparing een belangrijke manier om de emissie van broeikasgassen te reduceren. Hernieuwbare energie kan immers de inzet van fossiele brandstoffen verminderen. Nederland dient er volgens Europese afspraken voor te zorgen dat in 2020 14% van het binnenlandse energieverbruik opgewekt is door hernieuwbare energie. Om dat te bereiken wordt de levering van duurzaam opgewekte elektriciteit, biogas en warmte gestimuleerd. De subsidieregeling Stimulering Duurzame Energieproductie+ (SDE+) is daarvoor het belangrijkste instrument. Daarnaast worden biobrandstoffen in brandstoffen voor het verkeer bijgemengd. In 2012 zou het aandeel biobrandstoffen minimaal 4,5% moeten zijn. Ook heeft de overheid verschillende green deals met partijen afgesproken, waaronder de deal dat elektriciteitsproducenten biomassa meestoken in hun centrales.

Het huidige aandeel hernieuwbare energie bedraagt momenteel circa 4% van het energieverbruik. Uit een recente verkenning van het huidige kabinetsbeleid blijkt dat dit aandeel kan oplopen tot 9 a 12% in 2020. Gegeven de keuze van het huidige kabinet om jaarlijks maximaal 1.4 miljard euro aan subsidie te verstrekken, is een aandeel van 12% hernieuwbare energie het maximaal haalbare. Dat is onvoldoende om het Europese doel van 14% te halen. Nieuw beleid of extra budget zal daarom nodig zijn om dat doel te kunnen halen. Met het huidige beleid wordt met name de inzet van hernieuwbare elektriciteit (met name door windenergie-op-land) en biomassa gestimuleerd (zie onderstaande tabel). Biomassa wordt dan op verschillende manieren ingezet, namelijk voor de productie van elektriciteit, warmte, groen gas (uit vergisting) en vloeibare biobrandstoffen voor transport.

Tabel: Aandeel hernieuwbare energie in 2020 volgens Europese definitie (% van het eindverbruik van energie*)
Categorie Onderkant Bovenkant
*Betreft een indicatie van de bijdragen van verschillende categorieën hernieuwbare energie in 2020 bij de bovenkant en onderkant van de bandbreedte
Warmte (exclusief biomassa) 1.2 1.4
Elektriciteit (exclusief biomassa) 2.7 3.0
Biomassa (exclusief meestook en biobrandstoffen) 2.9 4.1
Biomassa meestook in centrales 0.8 1.5
Biobrandstoffen in het vervoer 1.4 2.0
Totaal 9.0 12.0

Meer informatie

Is inzet van biobrandstoffen voor vervoer effectief in het bereiken van emissiereducties?

Biobrandstoffen kunnen worden toegepast voor vervoersdoeleinden en voor elektriciteitopwekking. Toepassing voor vervoer leidt op dit moment tot geringere emissiereductie, tegen hogere kosten, dan toepassing voor elektriciteitopwekking. In de toekomst kan de introductie van geavanceerdere (2e generatie) biobrandstoffen leiden tot een hogere kosteneffectiviteit van CO2-emissiereductie.

Anderzijds zijn alternatieve technische mogelijkheden om de CO2-emissie in de transportsector te reduceren tegen lagere kosten beperkt, en speelt ook de voorzieningszekerheid (olievoorraden) een rol. Bovendien is de EU-richtlijn biobrandstoffen (2003/30/EG) niet vrijblijvend en zal ook Nederland op enige manier aan implementatie dienen te werken. In onderstaande tabel worden de specifieke CO2-emissiereductiekosten vergeleken. Deze specifieke emissiereductiekosten zijn berekend op basis van olieprijzen die lager zijn dan de thans geldende prijzen voor ruwe olie. Bij een hogere olieprijs worden de specifieke kosten lager.

Tabel: type biobrandstoffen met de verandering van broeikasgasemissies ten opzichte van fossiele brandstof en de bijbehorende kosteneffectiviteit
Type biobrandstof Verandering
broeikasgasemissies
t.o.v. fossiele brandstof
Kosteneffectiviteit
(euro/ton CO2-equiv.)
Pure plantaardige olie (PPO) + 15% tot - 65% 600-1600
Biodiesel1e generatie) -25% tot -45% 200-250
Bio-ethanol (1e generatie; suikerbieten) -15% tot -55% 400-500
Kolencentrale (mee-/bijstoken) -85% 65-80
Fischer Tropsch-biodiesel (toekomstig, 2e generatie) -85% tot -95% 50-150
Ethanol op basis van cellulose (toekomstig, 2e gen.) -55% tot -90% 0-100

Tabel op basis van een drietal rapportages van CE Delft:

  • CE (2003). Biomassa: tanken of stoken? Publicatienr. 03.4583.25
  • CE (2005). Op (de) weg met plantenolie? Publicatienr. 05.4802.26
  • CE (2005). Biofuels under development. Publicatienr. 05.4894.11

Waar vindt de teelt van biobrandstoffen plaats?

Bij grootschalige toepassing van biobrandstoffen in Nederland zal de teelt van biobrandstofgewassen in hoofdzaak buiten Nederland en waarschijnlijk deels buiten Europa plaatsvinden. Voor de verbetering van de ‘vitaliteit van het platteland’ in Nederland is het stimuleren van biobrandstoffen daarom geen effectief beleid.

In een zeer recent onderzoek van het Landbouw Economisch Instituut is geconcludeerd dat alternatieven voor koolzaad in Nederland meer opbrengen dan het telen van koolzaad, ook indien er een accijnsvrijstelling wordt gegeven voor biobrandstoffen. Deze conclusie geldt niet alleen onder de huidige marktomstandigheden, maar ook onder het nieuwe EU-landbouwbeleid. In andere Europese landen, zoals bijvoorbeeld Frankrijk, zijn voor agrariërs niet altijd hoger renderende alternatieven aanwezig, waardoor het telen van biobrandstofgewasssen daar wel zal plaatsvinden. Natuurlijk zijn er in Nederland in individuele gevallen wel mogelijkheden om biobrandstoffen rendabel te telen, maar voor de Nederlandse agrarische sector als geheel wordt geen toekomst in biobrandstoffen gezien.

Is de grootschalige teelt van biobrandstoffen altijd duurzaam?

Duurzaamheidsrisico's

Grootschalige teelt van biobrandstoffen brengt risico’s met zich mee. Door concurrentie met ruimtegebruik voor voeding en natuur bestaan er risico’s voor ontbossing, landdegradatie en afname van biodiversiteit. Ook de sociaal-economische omstandigheden kunnen daardoor in bepaalde herkomstregio’s van biobrandstoffen verslechteren.

Kansen voor duurzaamheid

De productie van biobrandstoffen kan – onder de juiste randvoorwaarden – ook leiden tot extra economische kansen in de herkomstregio’s. Voor een aantal Europese landen is het stimuleren van de eigen landbouw een reden om biobrandstoffen voor transport te stimuleren.

Het is voorstelbaar dat stimulering van de huidige generatie biobrandstoffen bijdraagt tot introductie van de beoogde betere (2e) generatie biobrandstoffen op de lange termijn. Om een dergelijke ontwikkeling te stimuleren zouden direct eisen moeten worden gesteld aan de (toekomstige) gewenste milieu-effectiviteit van biobrandstoffen voor vervoer. Met name gaat het dan om eisen aan de CO2-emissiereductie over de gehele keten van teelt en productie tot gebruik.

Maar... garanties zijn niet te geven

Er is een wens om bij het stimuleren van biobrandstoffen in Nederland te garanderen dat dit niet leidt tot afwenteling van mogelijke negatieve gevolgen naar de herkomstregio’s. We constateren dat deze - op zich sympathieke - wens nog moeilijk is te implementeren. Dit komt deels door Europese markt- en/of WTO-regels. Daarnaast bestaan er nog geen eenduidige en internationaal erkende garantie- of certificeringssystemen voor biobrandstoffen.

Natuurlijk is het wel gewenst om te streven naar ontwikkeling van dergelijke internationale systemen en afspraken. Binnen de EU kan Nederland een dergelijk systeem niet alleen opzetten. Andere landen, zoals Duitsland, en de EU-Commissie vinden het ook belangrijk om niet-duurzame neveneffecten van het gebruik van biobrandstoffen te voorkomen. Internationale samenwerking op dit punt is daarom benodigd.

Kan kernenergie een substantiële bijdrage aan de beperking van de uitstoot van broeikasgassen leveren?

In Nederland wordt bij de productie van elektriciteit 55 miljoen ton koolstofdioxide (CO2) uitgestoten. Hiervan is ruim 45 miljoen ton afkomstig van centrales. Thans wordt circa 4% van de binnenlandse elektriciteitsproductie opgewekt met kernenergie. Indien 75% van de energie in Nederland door kernenergie opgewekt zou worden, dan zou dat de Nederlandse broeikasgasemissies met 20% verlagen (Bron: NIR 2005). In de Europese Unie bedraagt op dit moment het aandeel van kernenergie in de elektriciteitsproductie ongeveer een derde. Indien dit aandeel 75% zou zijn, zoals nu bijvoorbeeld in Frankrijk het geval is, dan zou dat de emissies in de Europese Unie met 20% verlagen (Bron: European energy and transport – Trends to 2030). Hierbij is geen rekening gehouden met het extra energiegebruik voor de winning, transport en verrijking van uranium.

Ook met de kosten voor de verwerking en beheer (gedurende zeer lange tijd) van het radio-actieve afval, met andere milieu-apsecten en met sociaal- en geopolitieke factoren is geen rekening gehouden. Wereldwijd is het aandeel van elektriciteitsproductie in de emissies van koolstofdioxide ongeveer 30%. Het aandeel van kernenergie in de elektriciteitsopwekking is 17%.

Meer informatie

Is het gebruik van kernenergie veilig?

De kans om in Nederland slachtoffer te worden van een kernramp ergens in Europa bedraagt jaarlijks ongeveer 1 op de 8,5 miljoen. Ongeveer 30% van deze kans komt voor rekening van Oost-Europese kerncentrales. Het gaat bij kerncentrales niet zozeer om de gevolgen op korte termijn in de onmiddellijke nabijheid van een ongeval, maar vooral om sterfgevallen door blootstelling aan verhoogde stralingsniveaus op lange termijn in een groot gebied rond de ongevalslocatie. Bron: Risico's in Nederland door mogelijke ongevallen met Europese kerncentrales.

Hoeveel draagt energiegebruik bij aan klimaatverandering?

Mondiaal draagt de uitstoot van koolstofdioxide thans 75% bij aan de totale broeikasgasemissies door menselijk handelen. De belangrijkste andere broeikasgassen zijn methaan (CH4) en lachgas (N2O), die wereldwijd een aandeel van 15% respectievelijk 10% in de broeikasgasemisies hebben. Ongeveer 90% van alle emissies van koolstofdioxide is afkomstig van het gebruik van fossiele brandstoffen voor de energieopwekking. Een derde van de methaanuitstoot is afkomstig van de productie en transport van fossiele energie en van verbranding van brandhout. Tezamen is de bijdrage van het energiegebruik aan de uitstoot van broeikasgassen 70% (bron: Mondiale emissies broeikasgassen). In Nederland is de bijdrage van het energiegebruik aan de totale broeikasgasemissies ruim 80%, waarvan slechts één procent afkomstig is van methaanuitstoot (bron: National Inventory Report 2005).

Wat zijn de gevolgen van het broeikaseffect?

De exacte gevolgen van wereldwijde klimaatveranderingen zijn moeilijk te voorspellen. Op sommige plaatsen zal het warmer worden, op andere plaatsen juist kouder of natter of droger. Duidelijk is dat het natuurlijke evenwicht uit balans raakt waardoor bijvoorbeeld opeenvolgende oogsten kunnen mislukken, een tekort aan drinkwater ontstaat en de kans op overstromingen toeneemt. Water zet uit als het warmer wordt. De laatste honderd jaar is de zeespiegel tussen de 5 en 10 centimeter gestegen. Laaggelegen landen als Nederland zijn vanzelfsprekend extra kwetsbaar. De zwaarste klappen zullen vallen in ontwikkelingslanden, vooral in laaggelegen tropische en droge tropische gebieden. De belangrijkste gevolgen van klimaatveranderingen op een rijtje: - Zeespiegelstijging. Bij de huidige stijging van het zeewaterniveau zal volgens voorspellingen het aantal mensen dat getroffen wordt door overstromingen toenemen van 13 naar 94 miljoen per jaar. - Aantasting van ecosystemen. Klimaatverandering gaat gepaard met de verschuiving van klimaatzones. Sommige planten en dieren kunnen zich hieraan niet snel genoeg aanpassen en worden met uitsterven bedreigd. Klimaatverandering zal op een aantal plaatsen leiden tot meer droogte, met meer bosbranden en woestijnvorming als gevolg. - Zoetwatertekort. Een groot gedeelte van de wereldbevolking leeft in landen waar een tekort is aan schoon zoet water. Dit wordt, naarmate de wereldbevolking groeit, alleen maar een groter probleem. Klimaatverandering zal het watertekort in diverse regio's, zoals het Midden-Oosten, de Sahel en Australië, alleen maar groter maken. - Afname van landbouwproductiviteit. Zeker in gebieden waar droogte door klimaatverandering toeneemt, zoals het Midden-Oosten en India.

Haalt Nederland zijn doelstelling voor het Kyoto Protocol?

In de Kyoto-periode van 2008 tot en met 2012 mag Nederland maximaal gemiddeld 200 Mton CO2-equivalenten per jaar uitstoten. Dat doel wordt waarschijnlijk gehaald dankzij de aankoop van buitenlandse emissierechten. Echter, in sommige situaties heeft de overheid extra emissierechten nodig. Dit is het geval als de economie zich snel herstelt, als de opbrengsten van aangekochte buitenlandse emissierechten tegenvallen en/of wanneer de winters in 2011 en 2012 kouder uitvallen dan gemiddeld.

In de vijf jaar van de Kyoto-periode (2008 tot en met 2012) mag de totale binnenlandse emissie maximaal 1.001 megaton voor de gehele periode zijn. Hiervan is 437 megaton gereserveerd voor emissies van Nederlandse bedrijven die deelnemen aan het Europese emissiehandelssysteem (ETS). Een eventuele overschrijding van die emissieruimte heeft echter geen invloed op de het halen van de Kyoto doelstelling. Als de emissies van ETS bedrijven boven dit plafond uitkomen, moeten bedrijven dat namelijk zelf compenseren met in het buitenland aangekochte emissierechten.

De verwachte emissie van de niet-ETS-sectoren in de periode van 2008 tot en met 2012 bedraagt 584 tot 614 Mton CO2-equivalenten. De emissieruimte voor de sectoren die niet onder ETS vallen, bedraagt 564 Mton CO2-equivalenten. Dat betekent dat de Nederlandse overheid 20 tot 50 Mton aan buitenlandse emissierechten nodig heeft om binnen de emissieruimte van het Kyoto Protocol te blijven. In dit geval is de rijksoverheid hiervoor verantwoordelijk en niet de emittenten zelf, zoals bij de ETS-bedrijven. De overheid verwacht dat van de 79 Mton aan emissierechten die zijn gecontracteerd in buitenlandse emissiereducerende projecten (Clean Develpment Mechanism (CDM) - en Joint Implementation (JI) -projecten) 42 tot 50 Mton CO2-equivalenten ook daadwerkelijk beschikbaar zal zijn voor de Kyotoperiode.

Door zowel projectmatige als administratieve/institutionele onzekerheden kan de opbrengst van een CDM- en JI-projecten lager uitvallen dan verwacht. Hier is pas na 2012 zekerheid over.

Bronnen: