Vijfde Nationale Milieuverkenning 2000-2030 en Milieubalans 2000 verschenen
Op grond van de Wet Milieubeheer brengt het RIVM jaarlijks een Milieubalans uit ter ondersteuning van het beleid en elke vier jaar een Milieuverkenning als voorbereiding op het Nationale Milieubeleidsplan (NMP), in dit geval het NMP4. Beide rapporten komen tot stand in samenwerking met een groot aantal wetenschappelijke instituten en planbureau's. De Milieubalans blikt terug; de Milieuverkenning blikt vooruit. In de Milieubalans 2000 is te lezen hoe de kwaliteit van het Nederlandse milieu er anno 2000 voor staat, waardoor dit komt en wat de effecten zijn op mens en natuur. De cijfermatige onderbouwing staat in het Milieucompendium, een gezamenlijke uitgave van het CBS en het Milieu- en Natuurplanbureau. De Milieuverkenning 2000-2030 beschrijft mogelijke ontwikkelingen van de milieukwaliteit in de periode 2000-2030, de oorzaken hiervan en de effecten op mens en natuur. Deze Milieuverkenning richt zich op Nederland tegen de achtergrond van de ontwikkelingen in Europa en op wereldschaal.
Ecologische globalisering: klimaat verandert en biodiversiteit neemt af
De behoefte aan energie blijft naar verwachting de komende decennia toenemen, met name voor elektriciteit en mobiliteit. Ondanks de gestegen behoefte aan energie voor particuliere consumptie, is de Nederlandse emissie van het broeikasgas CO2 in 1999 voor het eerst in 10 jaar met ongeveer 2% gedaald, met name door de import van elektriciteit, een gevolg van de liberalisering van de Europese energiemarkt. De verwachting is echter dat de CO2-emissie de komende jaren weer zal stijgen. De internationaal (Kyoto) afgesproken vermindering van de uitstoot van broeikasgassen zal de komende tien jaar van Nederland echter een reductie van de broeikasgasemissies vergen van zo'n 10 % in Nederland, naast een tweede 10% door Nederland te realiseren in het buitenland. Deze internationale afspraken zijn pas een eerste stap op weg naar stabilisering van het broeikaseffect. Tussen nu en 2050 zal de mondiale emissie van CO2 naar verwachting tenminste 50% toenemen. Voor stabilisatie van de concentraties broeikasgassen in de atmosfeer zal echter de mondiale emissie juist moeten halveren ten opzichte van het huidige niveau. In de industrielanden zouden aanzienlijke kostenbesparingen bereikt kunnen worden indien de dan toegewezen emissiereducties mondiaal verhandelbaar zijn. Zelfs bij het uitgangspunt van een gelijke CO2-ruimte per hoofd van de wereldbevolking zou in dat geval, volgens eerste indicaties, de groeivertraging in die landen beperkt kunnen blijven tot tienden van procenten per jaar.
Omschakeling naar biobrandstoffen zou een bijdrage van enkele tientallen procenten kunnen leveren aan de stabilisering van het klimaatprobleem, maar dit areaal is dan niet meer beschikbaar voor voedselproduktie voor de groeiende wereldbevolking. Uitbreiding van landgebruik voor voedselproductie en/of biobrandstoffen leidt tot verder natuurverlies. Tegen 2050 zal het agrarisch meest productieve deel van het landareaal vrijwel volledig worden geexploiteerd. De bevolkingsgroei kan alleen stoppen bij voldoende welvaartsgroei in de ontwikkelingslanden.Tegelijkertijd zou het energiegebruik bij die welvaartsgroei slechts weinig mogen toenemen. De economische globalisering kan niet los gezien worden van een ecologische globalisering.
Dreigende verslechtering van kwaliteit van de stedelijke leefomgeving
De milieukwaliteit van de lokale leefomgeving is de afgelopen jaren verbeterd; geluidhinder en luchtverontreiniging zijn aanvankelijk afgenomen en lijken nu te stabiliseren. De Europese grenswaarden voor de meeste luchtverontreinigende stoffen worden niet meer overschreden. Wel worden in Nederland nog ongeveer een miljoen mensen in steden blootgesteld aan stikstofdioxide en fijn stof-concentraties boven de EU normen. Op basis van de huidige kennis wordt 2 à 5% van het totale gezondheidsverlies toegeschreven aan het buitenmilieu; fijn stof, ozon en geluid leveren hieraan de grootste bijdragen.
Inmiddels nemen veiligheidsrisico's en ernstige geluidhinder toe; het gaat daarbij vooral om hinder door wegverkeer, burengerucht en vliegverkeer. De burger is daarmee een belangrijke veroorzaker van zijn eigen milieudruk. De ernstige geluidhinder zal bij ongewijzigd beleid tegen 2030 met 20 tot 50% toegenomen zijn. Tegelijkertijd neemt ook in het landelijk gebied de geluidbelasting toe; stilte wordt schaars. Wanneer uitgegaan wordt van geluidmaten die zo goed mogelijk aansluiten bij de hinderbeleving, zou ten aanzien van Schiphol vooral de geluidbelasting in de wijdere omgeving maatgevend kunnen worden voor het toekomstige vliegvolume. Met name in oude woonwijken van de grotere steden leidt een opeenstapeling van milieuproblemen tot verlies van gezondheid en leefbaarheid.
Trage ontkoppeling bij milieuproblemen op regionale schaal
De milieudruk door verzuring, vermesting en verdroging neemt geleidelijk af, echter te langzaam om de door het beleid gestelde milieu- en natuurdoelen te halen. In het verzuringsbeleid zijn vooral in internationaal verband successen geboekt voor zwavel- en stikstofoxiden; de ammoniakemissies, met name afkomstig van de Nederlandse veehouderij, zijn op het zelfde niveau gebleven.
Met de systematiek van mestafzetcontracten kan de produktie van dierlijke mest in overeenstemming gebracht worden met de draagkracht van het Nederlandse milieu. Het gebruik van fosfaatkunstmest is nog niet gereguleerd. Bij minder dan volledige inzet van het instrument blijft een risico bestaan op overschrijding van de (Minas) fosfaatverliesnorm. Het beleid zal voor het oppervlaktewater en grondwater tot een sterke verlaging van de nitraatconcentraties leiden; voor fosfaat zullen de concentratiedalingen door sterke nalevering vanuit de bodem gering zijn.
Export: economische baten en ecologische lasten
Het gebruik van energie t.b.v. de consumptie in Nederland door de Nederlandse bevolking ligt rond het Europese gemiddelde. Toch verbruikt Nederland relatief meer energie per hoofd van de bevolking dan gemiddeld, omdat ongeveer de helft van de in Nederland optredende milieudruk wordt veroorzaakt door productie en transport voor de export. Dat levert een grotere milieudruk voor Nederland op dan de milieudruk die in het buitenland optreedt door productie van goederen ten behoeve van consumptie in Nederland. Het aan export gekoppelde deel van de milieudruk in Nederland is voor energiegebruik bijna de helft, voor verzuring ongeveer een derde en voor vermesting ongeveer tweederde. Economische baten en ecologische lasten moeten dus bezien worden in de context van de rol van Nederland binnen Europa.