Inleiding Klimaatverandering
Het onderdeel beleidsevaluaties laat zien wat het Planbureau voor de Leefomgeving vindt van de effecten en gevolgen van het uitgezette of voorgenomen beleid. Voor een beschrijving van beleid zelf verwijzen wij naar het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM).
Kyoto Protocol
Het klimaatbeleid is gestoeld op de afspraken in het Kyoto Protocol en de aansluitende afspraken binnen de Europese Unie. Nederland moet de uitstoot van de belangrijkste broeikasgassen, kooldioxide, lachgas, methaan en een aantal fluorverbindingen, in de periode van 2008-2012 met 6% terugdringen ten opzichte van 1990. Dat betekent dat Nederland in de periode 2005-2012 gemiddeld 200 Mton, omgerekend naar CO2-equivalenten, broeikasgas uitstoot. Dat is 6% minder dan in 1990. Een deel van de reductie wil de overheid met binnenlandse maatregelen halen, de rest door aankoop van emissierechten in het buitenland (de zgn. flexibele instrumenten uit het Kyoto Protocol). Van de binnenlandse doelstelling wil zij tweederde door emissiereducties van koolstofdioxide realiseren en eenderde met een reductie in de emissie van de overige broeikasgassen. Het klimaatbeleid is gericht op de sectoren huishoudens, diensten, landbouw, verkeer en vervoer, industrie en energie. Op de lange termijn wil de overheid een overgang (transitie) naar een duurzame energiehuishouding bewerkstelligen om de uitstoot van koolstofdioxide verder te beperken. Het zogenoemde transitiebeleid staat beschreven in het vierde nationale milieubeleidsplan, het MNP4.
In de Milieubalans 2009 staat aangegeven met welk beleid de overheid denkt de Kyotodoelstellingen te halen. Hierbij wordt ingegaan op de samenhang tussen klimaat- en energiebeleid, de instrumenten die voor het energiebeleid worden ingezet en ontwikkelingen in het nationale klimaatbeleid, waaronder ook de buitenlandse maatregelen Joint Implementation, Clean Development Mechanism en de Europese emissiehandel.
Zie de Milieubalans 2009 voor hoe Nederland op de route ligt om het Kyoto Protocol te halen.
Zie ook de Vraagbaak van het Kyoto Protocol
Klimaatonderhandelingen voor opvolger Kyoto Protocol
In december 2007 zijn op Bali de eerste stappen gezet naar een nieuw mondiaal klimaatverdrag dat het Kyoto Protocol moet opvolgen. Het is de bedoeling dat deze opvolger tijdens de 15e Conference of Parties in december 2009 in Kopenhagen wordt afgesproken. Om deze onderhandelingen voor te bereiden zijn verschillende tussentijdse conferenties en bijeenkomsten gehouden sinds Bali (bijvoorbeeld Poznan en Bonn). Belangrijke agendapunten bij de voorbereidingen en onderhandelingen zijn onder meer de mitigatie-inspanningen die de geïndustrialiseerde landen enerzijds en de meer gevorderde ontwikkelingslanden anderzijds op zich gaan nemen, het financieringsmechanisme voor mitigatie- en adaptatiebeleid, de rol van het voorkomen van ontbossing (REDD) in het mitigatiebeleid en de overdracht van technologieën. Steeds meer landen geven duidelijkheid over hun ambities ten aanzien van mogelijke mitigatie-inspanningen. De Europese Unie heeft in 2007 al de ambitie geformuleerd om bij een omvattende en wereldwijde klimaatovereenkomst de Europese emissies met 30% te verminderen in 2020 ten opzichte van 1990 (EU, 2007).
Waarom klimaatbeleid
De doelstellingen van het Kyoto Protocol worden gezien als een eerste stap naar stabilisatie van broeikasgasconcentraties. In 1992 hebben de regeringen afgesproken dat de landen ervoor zorgen dat de concentraties van broeikasgassen in de atmosfeer op een niveau gestabiliseerd worden dat gevaarlijke menselijke verstoring van het klimaatsysteem wordt voorkomen. Dit niveau moet worden bereikt binnen een zodanig tijdsbestek dat ecosystemen in staat zijn zich op natuurlijke wijze aan te passen aan klimaatverandering. Ook moet dit niveau worden bereikt binnen een dusdanig tijdsbestek dat de voedselproductie niet in gevaar komt en de economie zich op duurzame wijze kan ontwikkelen.’
Zie de PBL-publicatie "Hoeveel warmer mag het worden?"
Klimaatdoelstellingen
De Europese Unie heeft vervolgens in 1996 besloten om de temperatuurstijging niet verder te laten gaan dan 2 ºC boven het pre-industriële niveau. Als stabilisatieniveau van de broeikasgasconcentratie is hier 550 ppmv CO2-equivalenten voor bepaald. Nieuwe wetenschappelijke inzichten hebben er echter voor gezorgd dat de milieuministers van de Europese Unie eind 2004 hebben geconcludeerd dat een nog lager stabilisatieniveau moet worden nagestreefd om de 2-gradendoelstelling te halen. Hoe lager het gewenste stabilisatieniveau, des te meer emissiereducties moeten worden opgelegd in het vervolgbeleid na het Kyoto Protocol (na 2012).
Zie de PBL-bijdrage aan de Europese stabilisatiestudie "Global Reduction Pathways".
Zie ook "Het behalen van de EU 2 graden klimaatdoelstelling: mondiale en regionale emissie implicaties".