Hier treft u een overzicht van de recente nieuwsberichten.
Uit onderzoek blijkt dat de atmosferische omzettingsproducten van zwaveldioxide, stikstofoxiden en ammoniak dragen 50 procent meer bij aan de fijnstofconcentraties dan tot nu toe werd gemeten en berekend. De uitstoot van deze stoffen is hoofdzakelijk het gevolg van menselijk handelen zoals verkeer, energieproductie en landbouw. Mogelijk is daardoor het beleid dat de uitstoot van deze gassen vermindert effectiever om fijnstofconcentraties te verlagen.
Mensen veroorzaken een veel groter deel van het fijn stof in de lucht dan gedacht. Dat blijkt uit het rapport 'Beleidsgericht Onderzoeksprogramma fijn stof' van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN), het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en TNO.
Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft geen fouten gevonden die de hoofdconclusies van het wetenschappelijke VN-klimaatpanel IPCC uit 2007 over de mogelijke toekomstige regionale gevolgen van klimaatverandering ondergraven. Wel is de onderbouwing van conclusies in sommige gevallen onvoldoende helder. Om onduidelijkheden en onzorgvuldigheden zo veel mogelijk te voorkomen moet het IPCC meer gaan investeren in de kwaliteitscontrole.
De door het kabinet voorgestelde Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) beoogt een duurzame economische ontwikkeling samen te laten gaan met het op termijn realiseren van natuurdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden. Deze verkenning van het PBL en het LEI laat zien dat aanvullende stikstofgerichte maatregelen kunnen worden genomen – tegen kosten van enkele tientallen miljoenen euro’s per jaar – waarmee een extra emissie- en depositiereductie kan worden bereikt die (deels) als ruimte voor economische ontwikkelingen kan worden ingezet.
Ondanks de aanhoudende economische crisis is de wereldwijde uitstoot van kooldioxide, het belangrijkste broeikasgas, in 2009 gelijk gebleven. De sterke toename van CO2-uitstoot in snel groeiende ontwikkelingslanden als China en India doet de daling in de geïndustrialiseerde wereld volledig teniet.
Op maandag 5 juli zal minister Huizinga van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) het rapport "Assessing an IPCC assessment" van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) in ontvangst nemen. In dat rapport presenteert het PBL de uitkomsten van het onderzoek naar fouten in een rapport van het wetenschappelijke VN-klimaatpanel, het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC). Het gaat om het IPCC-rapport van werkgroep II over de gevolgen van klimaatverandering in de wereld. Het PBL heeft dit onderzoek uitgevoerd op verzoek van voormalig minister Cramer van VROM.
Ondanks alle gevaren die fietsers in de stad tegenkomen in het verkeer, is het toch een stuk gezonder om de auto te laten staan en met de fiets te gaan. De gezondheid van de individuele fietser neemt toe als deze minder autorijdt. De levensverwachting van een persoon die voor korte ritten de fiets pakt is hoger dan van iemand die daarvoor de auto neemt, ondanks de risico's voor fietsers van het inademen van fijn stof en verkeersongelukken.
De Nederlandse veehouderij is de afgelopen tien jaar duurzamer geworden. Het tempo van deze ontwikkeling is echter traag. De vooruitgang is grotendeels het gevolg van Europese en nationale regels. Veranderende vraag uit de markt droeg ook bescheiden bij. Dat blijkt uit de studie Op weg naar een duurzame veehouderij; ontwikkelingen tussen 2000 en 2010 van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL).
Stedelijk Nederland verandert in rap tempo. Steeds minder is de stad een afgebakend bebouwd gebied, met een enkel centrum als focus. In plaats daarvan ontstaat een stedelijk gebied met een grote diversiteit aan plekken, ofwel stedelijke milieus. Deze veranderingen vragen om een ander ruimtelijk beleid op een hoger bestuurlijk niveau dan de stad: dat van de stedelijke regio.
De natte depositie van stikstof in Nederland vindt vrijwel geheel in de vorm van ammonium en nitraat plaats. Dit is de belangrijkste conclusie van een onderzoek naar niet-routinmematig gemeten vormen van stikstof in neerslag. Daarmee is de bijdrage van andere dan van ammoniak en stikstofoxiden afgeleide stoffen aan de totale stikstofdepositie in Nederland waarschijnlijk verwaarloosbaar.
Veranderingen van de prijs van brandstof, vliegtickets en openbaar vervoer hebben effect op het mobiliteitsgedrag. Het personenvervoer per openbaar vervoer en per luchtvaart en de vraag naar brandstof blijken redelijk prijsgevoelig. Het goederenvervoer over de weg is eveneens redelijk gevoelig voor veranderingen van de transportkosten, vooral op lange afstanden.
Het aantal plekken waar niet wordt voldaan aan de norm voor stikstofdioxide (NO2) zal de komende jaren sterk dalen. Uit een nieuwe rapportage blijkt echter dat die daling de komende jaren minder snel gaat dan gedacht. De opgave voor de betrokken overheden voor het tijdig oplossen van het aantal overschrijdingen van de norm is daarmee groter dan in 2009 ingeschat.
Hoe ontwikkelen zich het gebruik en de kwaliteit van de ruimte? Sporen deze ontwikkelingen met de doelen van het rijksbeleid zoals vastgelegd in de Nota Ruimte? Het Planbureau voor de Leefomgeving brengt samen met het Centraal Bureau voor de Statistiek en Wageningen Universiteit en Researchcentrum een online rapportage uit die de feitelijke ruimtelijke ontwikkelingen weergeeft. Deze "Monitor Nota Ruimte" is nu beschikbaar.
De planologische besluitvorming verloopt onder de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) in veel gevallen sneller dan onder de oude wet. Dat blijkt uit een eerste evaluatie door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) van de werking van de Wro. De evaluatie laat zien dat de doelstellingen van de nieuwe wet op sommige punten wel en op andere punten niet worden gehaald.
Het Kopenhagen Akkoord blijkt wezenlijk bij te dragen aan de doelstelling om de opwarming van de aarde tot twee graden te beperken. Sinds de klimaattop hebben landen toezeggingen gedaan om hun uitstoot van broeikasgassen terug te dringen. Met deze toezeggingen zou maximaal zeventig procent van de noodzakelijke mondiale reductie van broeikasgasemissies worden gerealiseerd. Maar het risico is aanzienlijk dat de terugdringing lager uitvalt.
Met de inzet van biobrandstoffen kan de emissie van broeikasgassen teruggebracht worden. Dit kan op de lange termijn de negatieve effecten van klimaatverandering op biodiversiteit beperken. Voor vele biobrandstoffen wordt bestaande landbouwgrond ingezet. Door verdringing van de al bestaande landbouwproductie kan daardoor op korte termijn een indirect verlies van het areaal natuur elders ontstaan. Bij een integrale beoordeling van de effecten in een aantal cases, blijkt dat het honderden jaren kan duren voordat het korte termijn verlies van biodiversiteit zou zijn gecompenseerd door de vermeden klimaatverandering.
Op verzoek van negen politieke partijen hebben het Centraal Planbureau (CPB) en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) de effecten van de verkiezingsprogramma’s op economie en milieu in beeld gebracht. De analyse laat zien dat elke voorgenomen beleidsmaatregel voordelen én nadelen heeft. De programma's weerspiegelen de uiteenlopende keuzes die partijen voorstaan.
De internationaal afgesproken doelen om in 2010 de wereldwijde afname van biodiversiteit te hebben afgeremd, zijn niet gehaald. Er zijn wel mogelijkheden om het verlies van biodiversiteit tegen te gaan. Dat blijkt uit de derde mondiale biodiversiteitsverkenning, die onlangs is gepubliceerd door de Conventie voor Biologische Diversiteit in Nairobi, Kenia. Het PBL heeft een bijdrage geleverd aan het verkennende deel van het rapport.
In de aanloop naar de internationale klimaatconferentie in december 2009 in Kopenhagen gingen klimaatscepticus Hans Labohm en klimaatonderzoeker van het Planbureau voor de leefomgeving Bart Strengers met elkaar in debat op de website van de NOS. De blogdiscussie geeft een goed beeld van de dilemma’s rond de kennis over klimaatverandering. Omdat er niet veel publicaties zijn waarin de discussie tussen wetenschappers en sceptici centraal staan en vanwege de bijzondere aandacht voor klimaatwetenschap dit voorjaar, verschijnt deze blogdiscussie nu ook als rapport.
Nederland dreigt de doelen te missen voor de terugdringing van broeikasgassen, energiebesparing en het aandeel duurzame energie. Ook mét de maatregelen die het kabinet voor zijn val overwoog, blijven de energiedoelen van de regering voor 2020 buiten bereik. Niettemin heeft het kabinetsbeleid aanzienlijke effecten. Dat blijkt uit een studie van EnergieonderzoekCentrum Nederland (ECN) en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Nieuwe maatregelen, die de instituten in een tweede studie doorrekenen, kunnen de doelen dichterbij brengen.
Welke rol kan de rijksoverheid vervullen bij de overgang van de huidige stad naar een toekomstige duurzame stad? En wat kan de rijksoverheid doen om ervoor te zorgen dat mensen zich in de stad duurzamer willen en kunnen gedragen? Vertegenwoordigers van ministeries, gemeenten, universiteiten, architectenbureaus, ontwikkelaars en andere belangstellenden kwamen op 21 april bijeen in Fort Voordorp in De Bilt om over deze vragen na te denken en in discussie te gaan.
“Onze ecologische hoofdstructuur heeft de potentie wereldberoemd te worden. De nieuwe landschappen die we gaan ontwikkelen – landschappen in het teken van nieuwe verbindingen tussen stad en land, tussen mens en natuur, die een duurzame en veilige toekomst representeren – zouden die potentie ook moeten hebben.” Dat zei Maarten Hajer tijdens het Voorjaarsforum van Natuurmonumenten op 21 april jl. In zijn lezing schetste hij de ontwikkelingen op het gebied van ecologie, landschap, duurzaamheid en financiën die een rol spelen bij een toekomstbestendig natuurbeleid.
Wat is de invloed van de leefbaarheid van een wijk op de bedrijven in die wijk? En andersom: dragen bedrijven bij aan het verbeteren van de leefbaarheid? Deze en andere vragen stonden centraal op het mini-symposium 'Bedrijvigheid en leefbaarheid in stedelijke woonwijken' dat het Planbureau voor de Leefomgeving op 19 april organiseerde in Den Haag.
De hoeveelheid stikstof die vanuit de lucht op de bodem terecht komt blijkt bijna 20 procent lager te zijn dan eerder werd gedacht. Met de verbeterde inzichten heeft 61 procent van de natuur een zodanig hoge toevoer van stikstof dat kwetsbare plantensoorten worden verdrongen door grassen en brandnetels. Voorheen werd geschat dat het om 65 procent van de natuur ging.
Ecosysteemdiensten zijn door de natuur aan mensen geleverde diensten. Een voorbeeld hiervan is de bescherming tegen overstromingen door duinen. Vaak ontbreken markten of functioneren markten gebrekkig. De waarde van ecosysteemdiensten is dan moeilijk in geld uit te drukken. Dan bestaat het risico dat de waarde die mensen hechten aan ecosysteemdiensten niet of onvolledig wordt meegewogen in de besluitvorming van de overheid.
Een goede schatting van scheepvaartemissies is essentieel bij het in kaart brengen van de effecten door scheepvaart op luchtkwaliteit en gezondheid in havensteden en kustgebieden. In Nederland is scheepvaart een belangrijke emissiebron voor fijn stof. Dit rapport geeft een samenvatting en beschrijving van de methoden om fijn stof emissies van scheepvaart te schatten zoals momenteel in gebruik bij de Nederlandse Emissieregistratie (ER), inclusief recente aanpassingen.
Grondstoffen voor de productie van bio-energie, zoals bijvoorbeeld koolzaad of tarwe, leveren dikwijls veevoer als bijproduct op. Hierdoor is op andere plaatsen minder land nodig voor de teelt van veevoer. Dat kan leiden tot minder omzetting van natuur in landbouwgrond. De productie van biobrandstoffen gaat dan gepaard met minder negatieve indirecte effecten.
Intensivering in de landbouw kan ervoor zorgen dat er minder natuur wordt omgezet in landbouwgrond om aan de toenemende vraag naar voedsel en bio-energie te voldoen. De indirecte effecten van biobrandstoffen, zoals verlies van biodiversiteit en extra uitstoot van broeikasgas, kunnen erdoor worden beperkt. Een eenzijdig accent op verhoging van het gebruik van kunstmest kan echter tot aanzienlijke extra uitstoot van broeikasgas leiden.
Het GLOBIO-model is een instrument om de menselijke invloed op biodiversiteit te berekenen, zowel in verleden, heden en toekomst. Als beleidsinstrument wordt het regelmatig toegepast voor wereldwijde, regionale en nationale evaluaties. Het GLOBIO-model is het resultaat van een samenwerking tussen het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), de UNEP- World Conservation Monitoring Centre (UNEP-WCMC) en UNEP GRID-Arendal. De vernieuwde website biedt informatie over de werking van het model en zijn toepassingen.
De ruimtelijke ordening blijkt soms belemmerend te werken voor het realiseren van energiedoelen, bijvoorbeeld wanneer procedures vertragend werken. Tegelijkertijd kan de ruimtelijke ordening in sommige situaties ook het realiseren van energiedoelen beter mogelijk maken of versnellen. Tijdige ruimtelijke planvorming voor bijvoorbeeld de oplaadpunten kan helpen om de invoering van elektrisch rijden te versnellen. Het is dan ook belangrijk dat nationale, regionale en stedelijke ruimtelijke visies aansluiten op klimaat- en energiedoelen.
Een negatief oordeel over de stedelijke woonomgeving hangt vooral samen met sociale kenmerken van de buurt en niet zozeer met de fysieke kenmerken daarvan. Het gaat dan bijvoorbeeld om botsende leefstijlen en om ongewenst gedrag van buren, buurtgenoten en buurtbezoekers. Het beleid zal daarom vooral rekening moeten houden met de sociale grenzen aan een verdere verdichting.
De natuur levert op een haast onmerkbare manier allerlei diensten aan de mens. Zo beschermen duinen ons land bijvoorbeeld tegen overstromingen en slaan bossen CO2 op. In Nederland zijn er diverse kansen om deze door de natuur geleverde diensten, of wel ecosysteemdiensten, te benutten. Om de discussie over ecosysteemdiensten, en de kansen die zij bieden, te stimuleren en te verdiepen heeft het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) samen met Wageningen UR een brochure uitgebracht. Deze biedt ook enkele aanknopingspunten voor het beleid.
Het Planbureau voor de Leefomgeving gaat onderzoek doen naar fouten in een rapport van het wetenschappelijke VN-klimaatpanel IPCC (Intergovernmental Panel on Climate Change) over de gevolgen van klimaatverandering in de wereld. Het planbureau zal nagaan in hoeverre onjuistheden in dit rapport van invloed zijn op de hoofdconclusies die het IPCC trekt. De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen is gevraagd toe te zien op de kwaliteit van het onderzoek. Het planbureau heeft ook een website geopend waarop geïnteresseerden door hen gevonden onjuistheden in dit IPCC-rapport kunnen melden.
Het Centraal Planbureau en het Planbureau voor de Leefomgeving bieden politieke partijen de mogelijkheid aan om hun verkiezingsprogramma voor de periode 2011-2015 te laten analyseren. De analyse zal zich voor een belangrijk deel op de overheidsfinanciën richten. Daarnaast zullen de planbureaus ook aandacht besteden aan de terreinen onderwijs, milieu en natuur, woningmarkt en zorg. Ook worden de werkgelegenheidseffecten op lange termijn en de gemiddelde inkomenseffecten in kaart gebracht.
In het natuurbeleid kan meer rekening worden gehouden met de veranderingsprocessen, ofwel dynamiek in de natuur. Ook zou het beleid in de toekomst meer kunnen aansluiten bij de behoefte aan natuur in de samenleving. De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) blijft daarbij een belangrijke basis voor het natuurbeleid. Dit ruimtelijk samenhangend netwerk van natuurgebieden biedt plant- en diersoorten de mogelijkheid zich aan te passen aan ruimtelijke ontwikkelingen, zoals de verstedelijking, of aan de klimaatverandering.
Het Planbureau voor de Leefomgeving organiseert op maandag 19 april een mini-symposium rond de studie 'Bedrijvigheid en leefbaarheid in stedelijke woonwijken’. Op de bijeenkomst gaan de onderzoekers uitgebreid in op de resultaten van deze studie. Daarna belichten enkele andere sprekers hun kijk op het onderwerp. We sluiten af met een discussie onder leiding van prof. dr. Maarten Hajer, directeur van het planbureau. Aansluitend is er een borrel.
Demografische krimp leidt tot nieuwe vraagstukken die om een oplossing vragen, onder andere op de regionale en lokale woningmarkt. In de berichtgeving over krimp in de media overheersen over het algemeen de te verwachten problemen. Maar op de woningmarkt heeft krimp ook voordelen, vooral voor de consument. Zo kan hij gemakkelijker en tegen een lagere prijs een woning van zijn voorkeur vinden. De lokale en regionale woningmarkt verandert van een markt waar de aanbieder het voor het zeggen heeft in een markt waar de vrager regeert.
De biobrandstof die nu aan de pomp wordt verkocht, is niet altijd beter voor het milieu dan gewone benzine of diesel. Het gebruik van land voor het verbouwen van biobrandstoffen heeft allerlei neveneffecten, die moeilijk exact zijn vast te stellen. Als die neveneffecten worden meegerekend, kan het gebruik van biobrandstof leiden tot een lagere uitstoot van broeikasgassen, maar ook tot een twee keer zo hoge. Dat blijkt uit het rapport “Identifying the indirect effects of bio-energy production” van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL).
Momenteel wordt een nieuwe generatie klimaatscenario’s ontwikkeld om de invloed van broeikasgassen op het klimaat beter te kunnen begrijpen. Deze scenario’s richten zich voor het eerst op verschillende doelstellingen voor het klimaatbeleid, variërend van ‘geen klimaatbeleid’ tot ‘zeer ambitieus klimaatbeleid’. Daarnaast integreren de scenario’s kennis uit verschillende disciplines die betrokken zijn bij de klimaatwetenschap. De scenario’s worden ontwikkeld door een internationaal samengesteld team van wetenschappers, waaronder medewerkers van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL).
Leefbaarheidsproblemen in stedelijke woonwijken, zoals overlast, verloedering, inbraken en leegstand van winkelpanden leiden ertoe dat bedrijven eerder uit deze wijken vertrekken, minder overlevingskansen hebben en worden geremd in hun groeimogelijkheden. Het verbeteren van de leefbaarheid kan dan ook een gunstig effect hebben op de bedrijvigheid in de wijk. Omgekeerd draagt meer bedrijvigheid in de wijk gemiddeld genomen niet bij aan een afname van leefbaarheidsproblemen, tenzij het kleinschalige detailhandel betreft.
In het in 2007 uitgebrachte rapport van IPCC-werkgroep 2 (Climate change 2007: Impacts, adaptation and vulnerability) staat een fout in een door het Planbureau voor de Leefomgeving geleverde formulering over het overstromingsrisico van Nederland. In het hoofdstuk Europa staat op bladzijde 547 dat 55 procent van Nederland onder zeeniveau ligt. Hier had echter moeten staan dat 55 procent van Nederland gevoelig is voor overstromingen; 26 procent van Nederland ligt onder zeeniveau en 29 procent is gevoelig voor rivieroverstromingen. De onjuiste formulering in het rapport heeft geen consequenties voor deze conclusie.
Minister Jacqueline Cramer heeft vandaag het eerste exemplaar in ontvangst genomen van de ‘Staat van het Klimaat 2009’. De brochure van het Platform Communication on Climate Change (PCCC*) biedt een overzicht van relevante ontwikkelingen op het gebied van klimaat, klimaatverandering, klimaatonderzoek en klimaatbeleid in het afgelopen jaar.
In Nederland is de gemiddelde jaartemperatuur de afgelopen eeuw twee keer zo snel gestegen als het wereldgemiddelde. Echter, over alle seizoenen is de winter in Nederland het minst opgewarmd en zijn de temperatuurverschillen tussen opeenvolgende winters groter dan in andere seizoenen. Daarom blijven strenge winters in een opwarmend klimaat mogelijk.
Overstromingsrisicozonering is een planologisch instrument om gebieden te onderscheiden met verschillende overstromingsrisico’s. Het kan bijdragen aan het veiligheidsbeleid tegen overstromingen en aan een duurzame ruimtelijke planning. Overstromingsrisico is echter een complex begrip, dat ruimtelijke planners eerst moeten ontrafelen voordat zij het kunnen toepassen.
De komende dertig jaar krijgt Nederland te maken met een sterke vergrijzing. In alle delen van Nederland neemt het aandeel ouderen toe. Het zuiden van Limburg, Zeeland, Drenthe en het oosten van Groningen en Gelderland hebben relatief de meeste ouderen. In sommige delen is het aandeel 65-plussers hier zelfs meer dan 30 procent in 2040. Het aantal inwoners van Nederland blijft de komende decennia nog stijgen, maar er zijn grote regionale verschillen. De bevolkingskrimp die zich nu al voordoet aan de randen van Nederland, zal zich meer landinwaarts uitbreiden. De Randstad groeit echter door.