Planbureau voor de Leefomgeving

Niet alleen woningbouw, ook landbouw en natuur beperken openheid Nederlandse landschap

Persbericht | 10-06-2008

In sommige gebieden in Nederland is de openheid van het landschap de afgelopen decennia flink afgenomen. Dit komt niet alleen door woningbouw. Ook de aanleg van nieuwe natuur en veranderingen binnen de agrarische sector zijn hier debet aan. Zo leiden een moderne agrarische bedrijfsvoering en ander grondgebruik in sommige gebieden tot de komst van bijvoorbeeld uitgestrekte kassencomplexen en boomkwekerijen die het open uitzicht in het landschap wegnemen.

Dit zijn de belangrijkste bevindingen uit de studie 'Plattelandsontwikkeling en de gevolgen voor het landschap' die het Planbureau voor de Leefomgeving op 10 juni heeft uitgebracht. Aan de hand van vier casusgebieden laten de onderzoekers in deze studie zien in hoeverre nieuwe activiteiten op het platteland gevolgen hebben voor de openheid van het landschap. Zij concluderen dat het beleid voor plattelandsvernieuwing - dat nieuwe (economische) activiteiten wil stimuleren - en het beleid gericht op het behoud van het landschap soms op gespannen voet staan met elkaar en op lokaal niveau beter op elkaar kunnen worden afgestemd.

Aanzien landschap vooral veranderd in overgangszone tussen stad en land

Met name in de overgangszone tussen stad en platteland hebben zich in de afgelopen twintig jaar in de casusgebieden veel veranderingen voorgedaan in (economische) activiteiten, met gevolgen voor het aanzien van het landschap. Met name door uitbreiding van bestaande woonkernen en de komst van nieuwe bedrijven en recreatiewoningen - de zogenaamde 'rode' functies' - is hier steeds meer van de randen van het buitengebied afgeknabbeld.

Ook in het resterende buitengebied is de openheid van het landschap soms flink afgenomen. Deze afname wordt niet alleen veroorzaakt door woningbouw maar ook door transformaties binnen de agrarische sector en de aanleg van nieuwe natuur, de zogenaamde 'groene' functies'. Modernisering, schaalvergroting, intensivering en transformatie van de agrarische sector hebben geleid tot onder meer de bouw van grootschalige kassen- en stallencomplexen en de aanleg van boomkwekerijen, en daarmee tot afname van de openheid van het landschap. En de aanleg van nieuwe natuur heeft een grote impact op het aanzien van het landschap omdat de bosschages die hierdoor veelal ontstaan, in de plaats komen van de oorspronkelijke vergezichten.

Onderscheid in 'rode' en 'groene' functies in landschapsbeleid niet vanzelfsprekend

Vanuit het gezichtspunt van landschapsbehoud is het daarom niet zonder meer te rechtvaardigen dat het landschapsbeleid zich richt op het beperken van rode (woningbouw, bedrijvigheid) en het stimuleren van groene functies (landbouw en natuur). Ten eerste wordt met het beperken van de rode functies in het landschapsbeleid een mogelijke impuls voor landschapsontwikkeling (door investeringen) over het hoofd gezien. Ten tweede wordt met het uitgangspunt dat de landbouw de drager is van het landschap, veronachtzaamd dat ook de moderne en soms zelfs industriële agrarische bedrijfsvoering leidt tot bebouwing in het landschap (bijvoorbeeld de kassen- en stallencomplexen). Ten derde heeft natuurontwikkeling een groot effect op de openheid van landschappen. Het plattelandsvernieuwingsbeleid en het landschapsbeleid kunnen, zeker op lokaal niveau, nog veel beter op elkaar worden afgestemd en met elkaar in overeenstemming worden gebracht dan tot nu toe al het geval is geweest.

EINDE PERSBERICHT

Plattelandsontwikkeling en de gevolgen voor het landschap, Femke Daalhuizen, Frank van Dam, Maarten Piek, Niels Sorel, Rotterdam/Den Haag: NAi Uitgevers/Planbureau voor de Leefomgeving.

ISBN 9789056626389

Prijs € 22,50

--

Het Planbureau voor de Leefomgeving analyseert en agendeert ruimtelijke en maatschappelijke ontwikkelingen in (inter)nationale context, die van belang zijn voor de leefomgeving van mens, plant en dier. Gevraagd en ongevraagd brengt het planbureau wetenschappelijke verkenningen en beleidsevaluaties uit die relevant zijn voor het kabinetsbeleid.

Noot voor de redactie

De onderzoekers kijken in deze studie naar veranderingen in de openheid van het landschap, als een objectieve indicator van landschapsverandering en dus niet als indicator van beleving of waardering van het landschap. Zij doen dat voor verschillende Nederlandse landschapstypen aan de hand van vier casusgebieden: Hoorn, Tiel, Schijndel en Boskoop. Met 'openheid' wordt in deze studie bedoeld de mate waarin men in het landschap verre uitzichten kan waarnemen. Openheid wordt in de studie dus beschouwd als kenmerk van een landschap, en niet als kernkwaliteit. De beleving en waardering van landschappen zijn in deze studie expliciet buiten beschouwing gelaten.